Trainer André Gorel schittert in VI

Publicatiedatum: 09-11-2020

Rubriek  BALVERLIEFD

Door Geert-Jan Jakobs, Voetbal International

Geobsedeerd door Nummer 10

In Balverliefd aandacht voor de gang van zaken achter de schermen van het voetbal en opvallende gebeurtenissen aan de rand van het veld. Deze week over André Gorel (53), die zijn leven vormde naar zijn favoriete type voetballer.

Een eerste telefoongesprek met André Gorel eindigt wat ongebruikelijk. ‘Hm, jammer’, zegt hij, midden in een zin. ‘Ik had gehoopt dat we precies na tien minuten en tien seconden zouden ophangen. Zijn we net overheen.’ Daarna, haastig: ‘Zullen we wel deze minuut afsluiten?’ Haha. ‘Dan zitten we nog in de tien.’ Die André. André? Tu-tu-tu-tu-tu…

Even later meldt hij zich weer, per app. Dat wil zeggen: tien appjes. Wat Gorel heeft, valt ongetwijfeld in de categorie dwangneuroses, maar hij heeft zich er nooit voor laten behandelen. Het is onschuldig. Zegt-ie. Hooguit een beetje lastig soms, als hij bijvoorbeeld minutenlang zit te wachten voordat hij een berichtje verstuurt. Hij neemt het op de koop toe, zijn gezin vooralsnog ook. Gorel is gefascineerd, nee, geobsedeerd door het cijfer 10. En dat is grotendeels de schuld van Felix Gasselich.

Klik hier voor het artikel over Andre Gorel in de VI opmaak of lees hieronder verder: 

Gorel zal het uitleggen. En vertellen hoe hij de eerste Nederlandse trainer in het Braziliaanse profvoetbal werd, bevriend raakte met Maxwell, Kerlon de zeehondendribbel leerde en er alles aan doet Ajax weer een legendarische nummer 10 te bezorgen.

Bussum, een paar dagen later. Eén ding is meteen duidelijk: het voetbal heeft Gorel geen kapitalen opgeleverd. Hij woont in een eenvoudig huurhuis. Niks mis mee, maar als hij iets zakelijker was ingesteld, had het financieel allemaal ook wat anders kunnen lopen voor hem. ‘Mijn vrouw maakt daar nog weleens een opmerking over’, zegt Gorel. ‘Dat we heel wat groter hadden gewoond als ik onderweg wat beter voor mezelf had gezorgd.’

Maar ja, hij is een hopeloze romanticus. Altijd geweest. In zijn jonge jaren, hier in Bussum, had hij nooit oog voor de meisjes. Hij was verliefd op voetbal en strikt monogaam. De bal hielp hem ontsnappen aan de soms wrange werkelijkheid. Ouders vroeg gescheiden, een dagelijks geschraap naar centen. Toch kon hij lid worden van SDO, waar hij op geleende voetbalschoenen speelde en de penningmeester een oogje dichtkneep als de maandelijkse contributie iets langer op zich liet wachten. Voetballen maakte hem gelukkig. Voetbal kijken ook. Hoewel zelf een harkerige rechtsback, hield hij van de stilisten. De spelverdelers. Hij zag: de beste voetballers spelen vlak achter de spits. En ze dragen meestal shirtnummer 10. Hij raakte gefascineerd door Pelé en Diego Maradona, maar koesterde ook minder gangbare idolen.

Zo vaak het kon, fietste hij naar Amsterdam, waar hij zich aan de trainingen van Ajax vergaapte. In 1983 werd zijn aandacht er getrokken door een nieuwkomer uit Oostenrijk. Een trage, besnorde, iets te dikke middenvelder die Felix Gasselich scheen te heten. Na het vertrek van Johan Cruijff moest hij de nieuwe spelverdeler van Ajax worden. Het kritische Amsterdamse publiek had niet lang nodig om te concluderen dat er van alles mankeerde aan Gasselich. Te stroperig, te flegmatiek. Er werd wat lacherig gedaan over de speler, cynisch omgedoopt tot Gas-en-licht. Maar voor Gorel was hij een held.

‘Mijn privé-idool. Niemand nam hem serieus, maar ik wist wat hij kon. Geweldige techniek, mooie schijnbewegingen. Balletje wegduwen en terugtrekken, dat kon hij zo goed. Gasselich probeerde altijd nieuwe dingen. Dan zag ik hem op de training bijvoorbeeld de hele week bezig met de lob. Probeerde hij de bal vanaf de middenlijn, met een stuit op de rand van de zestienmeter, over de keeper heen in het doel te krijgen. Hij oefende elke dag, voor en na de training. Totdat het hem uiteindelijk acht van de tien keer lukte. Op zondag speelden we tegen AZ. Gasselich pikte de bal op, vlak bij de dug-outs, en trapte ’m met een boogje naar het doel. Dat ding stuiterde randje strafschopgebied en eindigde op de lat. Iedereen lachen: dat dat lobje veel te zacht was en Gasselich geluk had dat die bal nog bijna het doel in ging. Maar ik wist wel beter. Het was juist pure klasse. En pech dat het net geen goal werd.’

Gasselich bleef tweeënhalf jaar lang een onbegrepen voetballer in Amsterdam. Maar de Oostenrijker had één trouwe fan en dat heeft hij geweten ook. ‘Ik had een enorme verzamelwoede’, vervolgt Gorel. ‘Alle plaatjes die er van Gasselich waren, wilde ik hebben. Ik had er zelfs een eigen knipseldienst voor opgezet, met klasgenoten die me hielpen met het doorspitten van alle kranten en tijdschriften. Ik hielp ze met het zoeken naar plaatjes van Michael Jackson, zij gaven me er Felix Gasselich voor terug.’

Gorel draait er niet omheen: interesses monden bij hem tamelijk snel uit in obsessies. Plakboek na plakboek vulde hij met foto’s en artikelen over een speler die bij Ajax langzaam wegkwijnde op de reservebank. ‘Als ik zo’n boek vol had, nam ik het mee naar de training. Overhandigde ik het aan Gasselich en vroeg ik of hij het wilde signeren. Een handtekening op élke bladzijde. De volgende dag had hij dat dan keurig gedaan. Een keer had hij ook een paar foto’s gesigneerd. Ik dacht: Dát is leuk. Heb ik al mijn plakboeken weer meegenomen en Gasselich gevraagd of hij op elke foto zijn handtekening wilde zetten. Ongeveer duizend in totaal. Ook dat heeft hij voor mij gedaan.’

Het zorgde ervoor dat Gasselich hém ook nooit meer zou vergeten. Tot op de dag van vandaag heeft Gorel goed contact met de Oostenrijker, die Amsterdam nog geregeld bezoekt. Zijn grootste fan van weleer toont het vriendschappelijke sms’je dat hij enkele dagen eerder nog kreeg van Gasselich. Een paar van diens voetbalschoenen staan veilig opgeborgen op een zolder in Bussum. Gorel koestert ze als religieuze relikwieën.

Dat ook Gasselich met 10 speelde, vergrootte voor hem de mythe van het rugnummer. Günter Netzer, Michael Laudrup, Gheorghe Hagi, Glenn Hoddle, Enzo Francescoli. Allemaal artiesten die Gorel adoreerde. Allemaal 10’en. Hij werd idolaat van een cijfer. ‘Die 10 kreeg iets magisch’, zegt Gorel, die een etaleursopleiding afrondde en tegenwoordig naast het voetbal als digitaal vormgever werkt. ‘Ik heb dus best wat grafisch inzicht. Typografisch is de 10 sowieso al het mooiste rugnummer. Het ziet er op elk shirt goed uit. Met de 11 gaat het bijvoorbeeld vaak mis: die enen staan dan net te ver uit elkaar. Of je hebt twee nikszeggende verticale streepjes. De 10, dat is een perfecte vorm.’ Bovendien staat het nummer synoniem voor voetballers met een bijzondere gave. ‘Zij zijn de creatievelingen, degenen die het verschil maken. De beste spelers.’

Dat laatste predicaat kon hij zichzelf als amateurvoetballer moeilijk toekennen. De 1 meter 95 lange Gorel was altijd een slungelige speler, die ondanks zijn lengte zelden kopte. Zijn bril zat hem in de weg. Met zijn uitschuifbare benen kon hij af en toe bijzondere capriolen uithalen met de bal, dat wel. Maar de beste? Nou nee. Toch kon hij het niet laten. ‘Als rechtsback werd ik geacht met 2 te spelen.’ Hij kijkt er vies bij. ‘Maar ik deed alles om toch mijn lievelingsnummer te kunnen bemachtigen. Altijd de wastas mee naar huis nemen, me als eerste omkleden. Als mijn ploeggenoten de kleedkamer binnenkwamen, was nummer 10 foetsie. Zodra we dan het veld opliepen, trok ik mijn shirt met nummer 2 uit. Daaronder zat het verdwenen shirt. Ach, ik heb alle trucs uitgehaald.’

Lachend: ‘Ik zeg niet dat ik weleens een mid-mid heb omgekocht met een cola of een Mars, maar ik kan het ook niet ontkennen.’ Later, als seniorenvoetballer bij het Naardense NVC, veranderde hij van tactiek: afzakken naar het elftal waarin hij wél de beste was. Het achtste, in zijn geval. Gorel was de schaduwspits en hoefde niet eens om zijn felbegeerde rugnummer te vragen.

Intussen bleef hij het straatvoetbal trouw. Op het pleintje in Bussum, waar hij als late twintiger nog tussen de tieners speelde, maakte hij halverwege de jaren negentig kennis met twee Brazilianen: Robert en Júnior. ‘Ze waren met een zaakwaarnemer naar Nederland gekomen, in de hoop hier een contract te verdienen. Ze zaten tijdelijk in een huisje in Bussum en kwamen al gauw kijken op ons pleintje. Die twee konden fantastisch voetballen. Ik was de langste en de oudste, en kon het goed met ze vinden. “Ajuda, ajuda”, zeiden ze tegen me. Na een tijdje snapte ik wat ze bedoelden. Ik moest ze een beetje helpen in Nederland.’

Dat wilde Gorel wel. Hij vergezelde de Braziliaanse gelukszoekers tijdens een stage bij Feyenoord. ‘Willem van Hanegem liet ze meedoen op de training. Met name Robert deed het prima. Als ventje van achttien zette hij rechtsback Ulrich van Gobbel een paar keer achterstevoren in zijn schoenen. Die twee mochten terugkomen, maar werden weggestuurd door jeugdtrainer Arno Pijpers. Ze snapten de piepjestest niet…’

Júnior kampte met heimwee en keerde terug naar Brazilië. Robert werd door Gorel meegenomen naar Ajax. ‘Daar kende ik als supporter de weg een beetje. Co Adriaanse was hoofd opleiding. Ik zei dat ik een goede Braziliaanse voetballer bij me had die graag op proef wilde komen. “Hebben we niks aan”, zei Adriaanse. “Als-ie echt goed was, was hij wel op een andere manier binnengekomen”. Toch wist ik hem te overtuigen. Robert mocht een trainingspotje meedoen met de A2, ik mocht mee achter de hekken als zijn tolk. Ik sprak bijna geen woord Portugees. Robert had geluksbandjes om zijn polsen, zijn shirt uit de broek hangen en zijn kousen naar beneden. Adriaanse vond het geen gezicht. Die training was amper begonnen of ik hoorde hem tegen die trainer zeggen: “Haal ’m er maar uit”.

 

Met handen en voeten probeerde ik Robert duidelijk te maken dat hij zijn kleding moest fatsoeneren. Uniformo certo, probeerde ik. Hij had geen idee wat ik bedoelde. Net op het moment dat de trainer hem eruit wilde halen, maakte hij een schitterende goal. Tijdens het juichen wezen medespelers Robert op zijn shirt en sokken. Toen begreep hij het. Mocht-ie blijven staan. Hij trainde een week mee, daarna nóg een week. Aan het einde speelde de A2 van Ajax tegen de A1. De A2 won met 5-1. Robert maakte alle vijf goals. Toch werd hij afgetest. Iedereen was stomverbaasd. Trainer Dirk de Groot bracht het nieuws met tranen in de ogen. De beslissing was vóór die oefenwedstrijd al genomen. Er was gedoe over geld, met de Braziliaanse zaakwaarnemer van Robert. En er was iets met zijn paspoort. Later ontdekte ik dat hij niet achttien was, maar 21.’ Ook Robert keerde onverrichterzake terug naar Brazilië.

 

Een jaar later was Gorel zelf zoekende. Hij had zijn kantoorbaan vaarwel gezegd, nadat zijn baas bezwaar had gemaakt toen hij op een avond overwerk parkeerde om jeugdtraining te kunnen geven bij NVC. Profvoetballer worden was hem niet gegeven, maar zijn passie bleef wel de hoofdzaak in zijn leven. In 1996 volgde hij zijn hart naar Brazilië. Het ultieme voetballand. Het land van zoveel legendarische nummers 10. Het land van Robert en Júnior.

 

‘Bij hun vertrek hadden ze een briefje achtergelaten met daarop Cometa, BH en hun telefoonnummers gekrabbeld. Ik stapte in het vliegtuig naar Rio de Janeiro en had dat stukje papier als enige aanknopingspunt. In Brazilië ontdekte ik dat Cometa de naam was van een busmaatschappij. En BH stond voor Belo Horizonte. Ik besloot de gok te wagen en stapte in een bus naar die stad. Uren was ik onderweg. In Belo Horizonte bleken de telefoonnummers, waar ik tot dan niets aan had gehad, wel over te gaan. Ze werkten kennelijk alleen lokaal. Eén werd opgenomen.’

 

 

Het was van Júnior, die in het gehakkel aan de andere kant van de lijn een bekend stemgeluid ontwaarde. Hij nam de lange Nederlander op sleeptouw. Júnior bleek inmiddels afscheid te hebben genomen van zijn profdroom. Maar zijn broer was doorgedrongen tot het eerste elftal van het vermaarde Cruzeiro. Zoals André Gorel voor hen een goed woordje deed bij Ajax, spraken zij hun contacten aan om te vragen of de Nederlandse trainer een kijkje mocht nemen bij de Braziliaanse club. De buitenlandse gast was welkom voor een stage bij de jeugdacademie. Gorel wist niet goed wat hem overkwam. ‘Op zondag was ik in Brazilië geland, op maandag stond ik bij Cruzeiro A1 op het trainingsveld en op dinsdag was ik op tv tijdens een competitiewedstrijd.’ Niet slecht, voor iemand die nog altijd niet veel verder kwam dan bom dia.

 

Weer vijf jaar later. Gorel was inmiddels jeugdtrainer bij De Zuidvogels in Huizen en regioscout voor de KNVB. Hij bezocht het befaamde jeugdtoernooi in Terborg, waar Cruzeiro A1 tot de deelnemers behoorde. De Bussummer kende de trainer van de Braziliaanse jeugdploeg nog van zijn stage. Andersom was de lange Nederlander ook nog niet vergeten. Of die er misschien iets voor voelde nog een paar maanden bij Cruzeiro mee te draaien, ditmaal ook bij het eerste elftal? De vraag was amper gesteld of Gorel had zich alweer in een vliegtuigstoeltje gewurmd. Daarna stond hij op het trainingsveld tussen toekomstige topspelers als Heurelho Gomes, Maicon, Luizão en Maxwell. Die tipte hij allemaal níét bij Ajax, in tegenstelling tot een drietal aanvallers. ‘Die doken later op in Vietnam en Maleisië. Ongelooflijk eigenlijk, dat ik tot op de dag van vandaag scout ben gebleven.’

 

 

Bij Cruzeiro organiseerde Gorel onder meer techniektrainingen voor de jeugd. Onder de noemer Futebol Circo vermaakte de Nederlander de talenten tot twaalf jaar onder meer met een paar van zijn eigen specialiteiten, zoals het lopen met de bal op zijn voorhoofd. ‘Dat was een trucje van de straat. We bedachten op ons pleintje de gekst mogelijke manieren om te scoren. De bal na een voorzet opstiften, in je nek leggen en er dan mee het doel in wandelen bijvoorbeeld. Mij lukte het een keer een hoge bal één keer op mijn voorhoofd te laten stuiten en ’m daarna stil te leggen. Ik bleef erop oefenen. Het is me nooit gelukt zo tijdens een wedstrijd te scoren, wel tijdens trainingspartijtjes. In Brazilië demonstreerde ik mijn kunstje een aantal keren voor die talentjes. Vonden ze prachtig.’

 

Een aantal jaren later zag hij op tv hoe een Braziliaanse tiener op een jeugd-WK furore maakte met een zogenoemde zeehondendribbel. Verrek, dat is míjn foefje, dacht Gorel. En jawel, de speler in kwestie was Kerlon. Die herkende hij nog wel. In 2000 zat het behendige ventje in zijn techniekklasje. ‘Ik kan het niet bewijzen, maar voor mij staat het vast: die zeehondendribbel leerde hij van mij.’ Kerlon zou zijn circusact nooit ontstijgen. Hij dook nog even op bij Ajax, in de tijd dat Martin Jol daar trainer was en op een kleine afwijking meer of minder niet werd gekeken bij de beoordeling van nieuwe spelers, maar na het persbericht getuigde er weinig meer van zijn aanwezigheid.

 

 

Gorel dan. Die bleef zijn hart volgen, hier en daar geholpen door het toeval. Zoals de keer dat hij in het vliegtuig naast een jonge vrouw uit Brazilië kwam te zitten. Ze raakten in gesprek. Een van haar vrienden was directeur van een profclub. Gorel vertelde dat hij voetbaltrainer was en openstond voor een nieuwe uitdaging. Zij checken, en jawel: de club kon nog wel een assistent-trainer gebruiken. ‘Op 03-02-01 ging ik één, twee, drie naar Brazilië. Mooier wordt het niet voor een cijferfetisjist.’

 

Hij ging aan de slag bij Marechal in de tweede divisie en werd daarmee de eerste Nederlandse trainer in het Braziliaanse profvoetbal. Een vetpot was het niet. Hij kreeg een appartementje, een fiets en wat geld om te eten. Maar Gorel waande zich in een sprookje. Hij woonde vlak bij de cataratas van Iguaçu, behorend tot de meest indrukwekkende watervallen ter wereld. Zijn club voetbalde in een oud stadionnetje en beschikte niet over eigen trainingsfaciliteiten, maar elke dag was een belevenis. ‘We reisden voor iedere training met de bus naar een van de voetbalvelden in de omgeving. We kwamen op de mooiste plekjes in de natuur en gingen altijd met tassen vol vers fruit terug de bus in. De ene keer plukten we bananen, dan weer meloenen of tangerines. En altijd trommelen, klappen en zingen in de bus, hè.’

 

Ze noemden hem Professor, het wereldwijde lot van brildragers in het voetbal. Gorel introduceerde de shuttlerun en een reeks Nederlandse oefenvormen. Tijdens een van de wedstrijden werd de hoofdcoach na tien minuten naar de tribune gestuurd. Was O Professor uit Bussum ineens de verantwoordelijke man in de dug-out. Weinig Nederlanders zullen het hebben meegekregen, maar voor de hoofdpersoon van een levensecht stripverhaal waren het allemaal onvergetelijke ervaringen. Enige minpuntje: het voetbal in Brazilië. ‘Alle spelers zijn daar technisch zó goed, dat daarmee het onderscheid niet kan worden gemaakt. De wedstrijden worden beslist op hardheid en tactiek.’

 

Na één seizoen vertrok hij bij Marechal. Gorel had al een tijd geen salaris gekregen, hij voelde dat de hoofdcoach hem steeds meer als een bedreiging zag en hij miste Nederland. Hij ging naar huis, maar niet alleen. ‘Ik had nooit oog gehad voor vrouwen. Sommige mensen dachten dat ik op mannen viel. Maar ik was alleen verliefd op voetbal.’ Dat veranderde door bezoekjes aan zijn oude voetbalvriend Robert, wiens leven een tragische wending had genomen. ‘Zijn vrouw was overleden aan complicaties bij een bevalling. Robert woonde alleen met zijn dochtertje, maar werd wel bijgestaan door een hulp in de huishouding.’ Met haar woont hij inmiddels achttien jaar samen in Bussum. Ze zijn getrouwd en hebben twee kinderen: een dochter van 21, uit haar vorige relatie, en een zoon van dertien. Hun voetbaltalent is beperkt, maar Gorel telt zijn zegeningen: ‘Zij lijkt op Ronaldinho en hij op Carlos Valderrama, twee van mijn favoriete nummers 10.’

 

En zo is Gorel weer terug bij zijn lievelingsonderwerp. Hij is nooit over zijn spelmakerobsessie heen gegroeid. Op 10 oktober 2010 organiseerde hij zijn eigen Nummer 10-fandag. Onlangs was de reünie, precies tien jaar later. Als jeugdtrainer schroomde hij niet ál zijn spelers met dat ene mythische rugnummer het veld op te sturen. Dat handelsmerk heeft hij laten varen bij SDO, waar hij nu de Onder-16 traint, maar over één ding valt niet te twisten: zolang hij traint, zal Gorel blijven spelen met een nummer 10. ‘En die hoeft van mij níét mee te verdedigen.’ Zijn principe verliest aan populariteit in het voetbal. De spelmaker sterft uit, ziet ook Gorel tot zijn grote verdriet. ‘Voetbal draait meer en meer om kracht en conditie, dat gaat me aan het hart. Misschien ben ik de romanticus die stil is blijven staan. Maar alles gaat met golfbewegingen. Ooit zal de nummer 10 weer de erkenning krijgen die hij verdient. Daar geloof ik in.’

 

Hoe dan ook blijft hij zijn evangelie verkondigen en uitdragen, als trainer én als scout. Gorel werd na terugkeer uit Brazilië talentenspeurder voor Almere City. ‘Tien jaar geleden ging de club samenwerken met Ajax. Kreeg Almere in één klap zestig jeugdscouts erbij. En Ajax eentje, dat was ik.’ Hij stuurde ronkende rapporten over Sergiño Dest, Richairo Zivkovic, Ché Nunnely en Azor Matusiwa naar de Amsterdamse club. ‘Ik wil niet suggereren dat ik die jongens heb ontdekt. Ajax krijgt zoveel tips binnen, de club gaat nooit af op één scout.’

 

Voor sommige spelers maakte hij zich wel heel sterk. Silvester van der Water was zonder zijn aandringen nooit opgepikt door Almere City, durft Gorel te beweren. En bij Ajax bleef hij lobbyen voor Jurgen Ekkelenkamp. 'Hij speelde bij Almere City en had in mijn ogen echt iets extra’s. Vier keer per jaar ging hij op stage bij Ajax, twee of drie jaar lang. Telkens was de conclusie: Toch niet goed genoeg. En dan maakte ik weer een rapportje waarin ik schreef dat hij een kans verdiende. Gelukkig heeft Ajax het uiteindelijk toch aangedurfd met Jurgen.' Gorel voorspelt hem een glansrijke toekomst, zij het als verdedigende middenvelder. Niet als nummer 10. Daarvoor mist Ekkelenkamp volgens hem net de flair en de finesse die de ware componisten van het voetbal kenmerken. Je hebt het of je hebt het niet, dat luistert nauw. Gorel raakt nooit uitgekeken op zijn idolen. Het zijn spelers die heel de wereld kent, maar ook minder bekende fenomenen als Mahmoud Al-Khatib. ‘De Maradona van Egypte. Van hem heb ik nog VHS-banden.

 

Hij is al veertig jaar seizoenkaarthouder van Ajax, maar zijn spelersvoorkeur overstijgt zijn clubliefde. Dus was hij ook fan van Willem van Hanegem en Luc Nilis. Smult hij ook van Anco Jansen. Zes jaar geleden zag hij Ajax in eigen stadion roemloos ten onder gaan tegen Red Bull Salzburg. Hij genoot van Jonathan Soriano. ‘Hun nummer 10. Hij scoorde met een lob vanaf eigen helft. Ik sprong juichend op van mijn stoeltje. Werd me niet door alle supporters in dank afgenomen.’

 

Gorel heeft nog zoveel te vertellen. Dat hij tien jaar voor de officiële introductie in Nederland hier als scheidsrechter al met een spuitbus afstanden afbakende (afgekeken in Brazilië), dat in het Zuid-Amerikaanse land een zaalvoetbalclub naar hem is vernoemd (Gorel FC), dat hij voetballers als Nordin Amrabat, Damil Dankerlui en Joël Drommel trainde. Die laatste was veldspeler onder hem, in de C2 van FC Omniworld. ‘Een, jawel, nummer 10. Goede voetballer, Joël. Maar hij had ook goeie handen. Meegekregen van zijn vader, die was keeper geweest. Ik liet hem op de training ook weleens in de goal staan. Toen zei ik tegen hem: Als je het als voetballer niet redt, moet je echt gaan keepen.’

 

Met o.a. Joel Drommel in de c2 van FC Omniworld

 

Het ene verhaal is nog wonderlijker dan het andere, maar Gorel heeft stapels fotoboeken ter ondersteuning. Ze getuigen ook van zijn warme contacten met Braziliaanse spelers in Nederland. Toen die ene jeugdkeeper van Cruzeiro met de bungelende tekenfilmarmen neerstreek bij PSV en er uitgroeide tot volksheld, bezocht Gorel hem in Eindhoven. Met Wamberto ging hij naar de Braziliaanse kerk. Een van de eerste dingen die Maxwell deed toen hij bij Ajax ging spelen, was Gorel bellen. ‘Hij nodigde me uit in Diemen. Het duurde even voordat hij zijn adres had gespeld. Hij woonde aan de Krenteboompjeshof.’ Gorel en zijn vrouw hielpen Maxwell een beetje op weg in Nederland. De linksback bedankte hen met een shirt waarin hij kampioen van Nederland werd. Gorel maakte ook kennis met diens ouders. ‘Hij stelde me voor als de toekomstige bondscoach van het Nederlands elftal.’

 

Die voorspelling kwam niet uit, maar zijn avonturenboek is zo ook al indrukwekkend genoeg. Sommige lezers zullen denken: Die is gek. Gorel knikt. Misschien wel, een klein beetje. Zoals elke nummer 10. Uren zijn verstreken, een hoofd tolt, het interview is klaar zo. Gorel kijkt naar de klok. ‘Nog één minuutje’, zegt hij. ‘Kan dat? Dan is het precies tien voor vier.’