Rolkoffer

Op deze plek bericht Wouter van der Schaaf wekelijks over zijn ervaringen op het veld als clubscheidsrechter bij SDO.

Op mijn fietsie kom ik 20 minuten voor de wedstrijd begint bij SDO aan. Fietsend langs “de Kuil” heb ik vanaf de straat gezien dat de teams bezig zijn met hun warming up. Ik heb mijn voetbalschoenen al aan. Onder mijn trainingsbroek de kleding die hoort bij de uitrusting van de scheidsrechter. In mijn borstzakje de gele en rode kaart (nog nooit nodig gehad), in mijn sportbroek het muntje voor de toss, een papiertje voor het scoreverloop, een potloodje en de scheidsrechtersfluit. Dit is mijn totale uitrusting voor een wedstrijd.

“Wil je gebruik maken van de omkleedruimte voor de scheidsrechters?”, is de standaardvraag in de ontvangstkamer van SDO. “Nee, laat maar, ik ben er klaar voor. Welk veld moet ik fluiten?”. Ik neem nog snel een kop koffie, pak de bal en vlaggen (ernstig aan vervanging toe) en ren naar het veld. Dit is mijn ‘s zaterdagse routine als clubscheidsrechter.

Vorige week liep ik in de SDO commissiekamer een officiële KNVB scheidsrechter tegen het lijf. Beter gezegd: ik moest met een flinke boog om hem heen lopen. Hij kwam voor een ‘A-categorie wedstrijd’. Een forse man, maar daar zijn er meer van. Ik moest om hem heen lopen vanwege de bagage die hij met zich mee had genomen. Een rolkoffer, van het formaat waar ik moeiteloos de bagage voor een reis van een dag of vijf in zou kunnen opbergen.

Zoiets kan me nou boeien. Wat zou deze scheidsrechter allemaal meenemen voor een middagje fluiten bij een aardige club als SDO. Heeft hij drie sets schone kleren bij zich? Inloopschoenen, wedstrijdschoenen en uitloopschoenen? Een extra handdoek? Nog wat rode en gele kaarten plus reserve spuitbus voor de vrije trappen? Vlaggen? Het zou zo maar kunnen. Maar dan nog: zó’n kolossale rolkoffer. Hoe dan ook: Ik was diep onder de indruk terwijl ik mijn trainingsbroek weer aantrok. Klaar om op mijn fiets te springen, naar huis te gaan en te douchen.